Na een algemene inleiding over de verordening ging alle aandacht naar de sectoren waarin de meest concrete vooruitgang is geboekt : textiel en elektrische en elektronische apparatuur.
ESPR : de nieuwe ruggengraat van ecodesign in Europa
De Europese ESPR-verordening (Ecodesign for Sustainable Products Regulation) is in 2024 in werking getreden en betekent een belangrijke ommekeer voor bedrijven die producten op de Europese markt brengen. De ambitie is duidelijk : duurzaamheid tot een criterium voor markttoegang maken, net zoals veiligheid of technische conformiteit. Martin Solé, expert op het gebied van ecodesign bij de FOD Leefmilieu : “In tegenstelling tot de vorige richtlijn inzake ecodesign, die beperkt was tot energiegerelateerde producten, zal de ESPR geleidelijk aan vrijwel alle consumptiegoederen omvatten, met uitzondering van levensmiddelen en cosmetica.“
De verordening biedt een algemeen kader, maar de concrete vereisten zullen worden vastgelegd in gedelegeerde handelingen die per product worden opgesteld. Het eerste Europese werkplan voor de periode 2025-2030 richt zich met name op textiel (2027), meubels (2028), banden (2027) en matrassen (2029), evenals op bepaalde tussenproducten zoals staal en aluminium.
Centraal in het proces staat het Digitaal Productpaspoort (Digital Product Passport – DPP). Het paspoort is toegankelijk via een QR-code en bevat essentiële informatie over de herkomst, de samenstelling, de ecologische voetafdruk, de reparatiemogelijkheden en de verwerking aan het einde van de levensduur van een product. Het doel is tweeledig : de transparantie voor consumenten vergroten en de circulaire economie in de gehele waardeketen bevorderen.
Voor bedrijven gaat het om meer dan alleen naleving van de regelgeving. Het vereist een betere beheersing van productgegevens, een aanpassing van de toeleveringsketens en de integratie van duurzaamheidscriteria vanaf het ontwerp. Martin Solé ziet het als volgt : “Deze nieuwe spelregels bieden kansen voor bedrijven die al een voorsprong hebben genomen, die inzetten op reparatie en de circulaire economie en zich positioneren op een duurzame markt.” Hij raadt economische actoren overigens aan om vandaag nog te beginnen met het structureren van hun gegevens en de regelgevingswerkzaamheden voor te zetten om te anticiperen op toekomstige verplichtingen.
Textiel, het eerste proefterrein van de ESPR
De textielsector is de eerste sector die de operationele fase van de ESPR ingaat. Caro Coosemans, textieldeskundige bij de FOD Leefmilieu : “Een voorbereidende studie van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (Joint Research Center) van de Europese Commissie zou tegen 2027 moeten uitmonden in een gedelegeerde handeling.”
De inspanningen richten zich voornamelijk op kledingstukken die voor minstens 80% uit textielvezels bestaan. Schoenen vallen niet onder deze eerste fase, aangezien hun technische diversiteit de oefening complexer maakt.
De beoogde aanpak is in de eerste plaats gebaseerd op informatieverplichtingen. Producten kunnen zo worden voorzien van een robuustheidsscore voor hun fysieke duurzaamheid, een recycleerbaarheidsscore, informatie over het gehalte aan gerecycleerd materiaal of aanwijzingen met betrekking tot hun koolstofvoetafdruk.
Een andere belangrijke maatregel is het geleidelijke verbod op de vernietiging van onverkochte textielproducten en schoenen. Vanaf 19 juli 2026 voor grote ondernemingen en vanaf 2030 voor middelgrote ondernemingen mogen onverkochte producten niet langer opzettelijk worden vernietigd en moeten oplossingen worden gezocht zoals wederverkoop, donatie of upcycling.
Het toekomstige digitale textielpaspoort zou ook allerlei gegevens kunnen bevatten: vezelsamenstelling, mechanische en chemische eigenschappen, gehalte aan gerecycled materiaal, recycleerbaarheid, ecologische voetafdruk, onderhoudsinstructies en informatie over de productgarantie. Deze eerste regelgeving voor de textielsector wordt gezien als een leermoment : de Europese autoriteiten geven in eerste instantie prioriteit aan transparantie en het verzamelen van gegevens, alvorens op termijn strengere prestatiedrempels te hanteren.
Herstelbaarheid van elektrische en elektronische apparatuur : naar het einde van het wegwerpproduct
Naast de inspanningen op sectorniveau werkt de Europese Commissie aan horizontale eisen inzake de herstelbaarheid van elektrische en elektronische apparatuur. Het doel is om de toegepaste principes op smartphones, tablets of huishoudelijke apparaten uit te breiden naar tal van andere elektronische producten.
Er gelden dus al eisen rond herstelbaarheid, met name dankzij de richtlijn inzake het recht op reparatie van producten, maar ook dankzij de wet ter bevordering van de herstelbaarheid en de levensduur van goederen met de herstelbaarheidsindex die België sinds 2 mei 2025 hanteert voor wasmachines, droogkasten, koelkasten, stofzuigers enzovoort. Binnenkort komt er eveneens een Europees en nationaal platform met informatie over het aanbod op het gebied van reparatie.
In de ESPR worden de eisen inzake herstelbaarheid horizontaal beheerd om tijd te kunnen winnen. Er is een voorbereidende studie over dit onderwerp gestart en de eisen zullen naar verwachting in 2029-2030 van kracht worden. De toekomstige regels kunnen betrekking hebben op zeer uiteenlopende apparaten, zoals luidsprekers, elektrische fietsen, steps, haardrogers, elektrische tandenborstels en talrijke kleine huishoudelijke apparaten.
Tot de onderzochte mogelijkheden behoren een betere toegang tot reserveonderdelen, de beschikbaarheid van software en updates, het vaststellen van de prijs van onderdelen op maximaal 30 % van de productprijs, het verstrekken van reparatiehandleidingen, het vastleggen van levertermijnen voor reserveonderdelen en het verbod op bepaalde praktijken die reparaties bemoeilijken, zoals permanente, niet-demonteerbare verbindingen.
De voorstellen voorzien ook dat bepaalde onderdelen en software-updates gedurende ten minste vijf jaar na het in de handel brengen van het laatste exemplaar van een product beschikbaar blijven. Bram Soenen, expert in ecodesign bij de FOD Leefmilieu: “Deze maatregel dient om de markt voor reparatie en revisie te ondersteunen en tegelijkertijd de levensduur van apparatuur in omloop te verlengen.“
Volgens de deskundige van de FOD Leefmilieu vormt deze horizontale aanpak een essentiële basis voor de circulaire economie. Veel producten die vandaag buiten de sectorale regelgeving vallen, kunnen in het proces worden opgenomen. Aansluitend hierop wordt de productie van elektronisch afval en het verbruik van grondstoffen teruggedrongen.
De ESPR schetst zo de contouren van een nieuw Europees industrieel model waarin duurzaamheid, transparantie en repareerbaarheid geleidelijk aan onmisbare criteria worden voor het ontwerp en het op de markt brengen van producten.
Meer informatie :


